Archive for 25/05/2011

‘Volgspot’ (Joseph O’Connor)   Leave a comment

In ons volgende blogbericht bewijzen we dat we ook tijdens vakanties cultureel bezig blijven door ons af en toe eens in de betere literatuur te smijten. Ik heb me net door een verhalenbundel van Haruki Murakami gewerkt en nu is het tijd om aan een nieuw boek te beginnen, zijnde ‘Volgspot’ van Joseph O’Connor, die de broer blijkt te zijn van zijn net iets bekendere zus Sinéad. Van deze auteur las ik voorheen al ‘De verkoper’ (een superspannende thriller, een échte aanrader overigens) en ‘Inishowen’. In Humo klonk de review ongeveer zo.

De feiten: in het Londen van 1952 peinst Molly Allgood aan vervlogen dagen. De tijd heeft aan haar geheugen zitten sjorren, ze kijkt dieper in het glas dan goed is voor lever en leven en ze zwemt in algehele moedeloosheid.

In een aan James Joyce refererende stream of consciousness glijdt ze terug naar het begin van de twintigste eeuw. Toen was ze ten prooi gevallen aan amour fou – dat stinkdier dat een mens van zijn waardigheid berooft. Molly, een actrice van een schoonheid die pijn doet, legt het aan met John Synge – een gevierde toneelschrijver. Wat volgt is een amourette die tumultueus is, vol van pijnlijke oprechtheid, besmuikte woorden, stille overgave. Daar tekent zich een sprookje af, juichte ik, maar helaas: geen liefde die niet gekarteld of gecorrumpeerd is.

Het verschil in leeftijd, in religie, in klasse, in wat-weet-ik-allemaal blijkt een sta-in-de-weg. En Synge sterft vroeg – hij was 37. Molly leefde daarna nog een heel leven, maar dat komt slechts zijdelings aan bod in ‘Volgspot’ – O’Connor belicht die ene passie die een leven herleidt tot de smakkende essentie. Synge en Allgood hebben overigens écht bestaan en écht een relatie gehad en O’Connor heeft de boel vervolgens gefictionaliseerd. Maakt niet uit: elke goeie fictie is non-fictie. En nu ik er zo over nadenk: ik weet eigenlijk niet of ik dit boek moet aanraden. Het doet pijn – schiet roekeloos de ziel in. En mijn paarsrode neus, mijn gebrekkige blik en mijn gehavende spraak doen het ergste vermoeden: ik heb wat te veel in dit boek geleefd.

Het nekschot geef O’Connor in zijn epiloog: een liefdesbrief van Molly aan haar ‘lieve landloper’. Het is een warrelige melange van tranentrekkende tederheid, devote liefde en schmierige passie. Ik hield het niet droog, moet ik toegeven en bekende me de rest van de dag tot het foorwijf met het slecht verzorgde gebit.

Posted 25/05/2011 by ambijans in Literatuur